Pretoria
dagboek
Voortrekkers

In het centrum van Pretoria, op het Kerkplein staat het standbeeld van Paul Kruger, de laatste president van de onafhankelijke Zuid Afrikaanse Republiek voordat de Britten het definitief oprolden. Het is geen flatteus beeld: Kruger heeft een erg hoge rug, het hoofd is licht naar beneden genegen zodat een ferme onderkin klemt boven het jasboord, dikke wallen onder de ogen, mondhoeken naar beneden, een nogal zichtbare buik. Met hoge hoed en jas doet Paul Kruger denken aan een alcoholische circusdirecteur die misprijzend de verrichtingen van de laatste mottige leeuw gade slaat, wetend dat het einde van het circus nabij is.

In de Kerkstraat, voorbij de Cash 4 Scrap, is de Heldenakker voor soldaten en prominenten. Er is het graf van Paul Kruger, van zijn voorgangers Burgers en Janse van Renseburg en van de architecten van de Apartheid, Strijdom en Verwoerd. Die helden liggen dicht bij elkaar, op een kluitje - behalve Paul Kruger, die ligt wat verderop - alsof ze na de dood nog elkaars steun zoeken tegen de boze buitenwereld. Heldenakker voor Afrikaner helden; geen verleden van modern zwart en gekleurd Zuid Afrika, hooguit pijnlijk schurend vanwege de aanwezigheid van Strydom en Verwoerd. De slachtoffers van de strijd tegen de Apartheid zijn er niet begraven. Zo ziet de Heldenakker er ook uit: 'niet ons verleden'; het gras is wel netjes gemaaid maar wat omgevallen is blijft liggen. Ik ben vergeten door de bewaker en die heeft de poort op slot gedaan. Gelukkig komt hij terug anders had ik de nacht met Verwoerd moeten doorbrengen. Liever Kruger.

Buiten de stad op een heuveltop staat het Voortrekkermonument, het Pantheon van het Afrikanerdom. Ik ben er vroeg in de ochtend en dan de enige bezoeker, zoals ik de enige bezoeker was van de Heldenakker en van het monument voor de slag bij de Bloedrivier. Later komen er meer, het wordt zelfs druk, vooral voetbalsupporters. Het Voortrekkersmonument moet het hebben van de toeristen. De souvenirwinkel verkoopt miniatuurtjes van het monument maar vooral fotoboeken van african wildlife. Ik vraag of er foto's verkocht worden van Pretorius, Retief, Botha, Kruger en andere Afrikaner helden. Het baliemeisje, verbaasd: 'Van wie?' Het zegt genoeg: het Afrikaner verleden is voorbij, dood, betekenisloos geworden zelfs voor het Afrikanerdom. Je moet een lange trap op om bij het Voortrekkermonument te komen en bovenaan die trap staan twee erg bleke meisjes in klederdracht; vast en zeker Afrikaner Maagden (ik heb iets tegen maagden). Het monument zelf is een somber massief bakstenen bouwwerk, omgeven door een rondlopende muur met aan de binnenzijde reliefs van ossenwagens. Het stelt een lager voor; het monument van Afrikaner trots heeft de behoefte zich te verdedigen. De binnenzijde van het monument is een lege hoge ruimte met een koepel, als een kerk of een tempel. Door het gekleurde vensterglas valt geel licht naar binnen, het soort licht dat de bezoeker in zichzelf doet keren. Langs de wanden zijn reliëfs aangebracht in witte steen. Ze stellen gebeurtenissen voor uit de Grote Trek en van de strijd met de Zoeloes; niet de Brits-Boerenoorlog. Het zijn heel beschaafde, erg gepolijste reliëfs van heren met hoge hoed te paard, alsof de strijd een uitje was, en vallende Zoeloes; de uitbeelding vanuit het perspectief van de winnaar. Afbeeldingen van slachtofferleed zien er doorgaans anders uit; denk aan het beeld van Zadkin in Rotterdam of de beeltenis van de vrouwen van Ravensbrück. Buiten de reliëfs is er niets te zien, een lege ruimte. Het Afrikaner heiligste bevindt zich in de kelder, in schemerlicht. Langs de wanden van die ruimte hangen de vlaggen van de Zuid Afrikaanse Republiek, van Oranje Vrijstaat en van andere Boerenrepubliekjes die maar kort hebben bestaan. Midden in die kelderruimte staat een rood natuurstenen blok met daarop de inscriptie 'Ons vir jou Suidafrika'. Wie ligt daar begraven? Het is geen sarcofaag, die stoffelijke resten bevat, maar een cenotaaf die zielen bevat, in dit geval die van de Voortrekkers. Op 16 december, de dag van de slag bij de Bloedrivier, precies om 12 uur 's middags valt een zonnestraal vanuit de koepel in de kelderruimte op de cenotaaf. Een mallotige faraonische verwijzing. Het wordt nog erger, tegen de grens van blasfemie: in een nis brandt een lamp, het 'licht der beschaving', als een godslamp. Die trap, die meisjes als Afrikaner Maagden, die cenotaaf, dat opschrift, die zonnestraal, die godslamp, dat hele bouwwerk: een grotesk theater van zelfverklaarde uitverkorenheid. Ik heb niets, helemaal niets met die Voortrekkers.