Wadi Rumm
Dagboek
Ali

Ik wilde kameelrijden en huurde daarvoor een gids. Als puntje bij paaltje komt, verschijnt niet de gids maar hij stuurt zijn jongste broertje. Zo gaat dat; er is altijd een jonger broertje die het werk kan doen. Ali was een aardig joch. We hadden voor drie uur kameelrijden afgesproken en dat hebben we ook gedaan, zij het dat Ali een uur heeft besteed aan thee zetten. Dat doen Bedoeïenen toch eigenlijk het liefst: vuurtje stoken en thee drinken in de woestijn. Ik vond het best want een kameel is geen comfortabel rijdier; ik heb er een beurs stuitje aan overgehouden, dat later is gaan ontsteken. Ali was ook een boefje. Hij vroeg mij welke prijs ik met zijn broer had afgesproken. Ik zeg: "Zestien dinar". Ali: "Vijftien dinar als je gelijk aan mij betaalt". En zo belazert de ene broer de andere.

Ondanks Ali's voorkeur voor thee drinken heeft hij woord gehouden en laten zien wat afgesproken was. En het was prachtig, wat is de woestijn toch mooi! De bergen, kalksteen, staan in het eindeloze zand als taarten op een bedje van basalt. Kleuren: bruinrood, steenrood, geel, bleekoranje, grijsgeel en zwart. In de buurt van Rumm zijn Bedoeïenen die een toeristennering drijven (je kunt er eten en slapen) maar wat verder van Rumm is er niemand meer te zien. Niets beweegt, behalve de schaduwen die sluipend terrein veroveren op het licht.