Sporen van farao's: piramiden
Dagboek
Big Things en small things

Piramiden zijn big things. Ik had ze al gezien, de piramiden van Gizeh, uit de verte vanaf de minaret van de Al Mu'ayyad moskee tussen de wolkenkrabbers door en alleen al door de afstand krijg je een vermoeden van de omvang. Als ik ervoor sta vind ik ze verpletterend. Ze zijn te groot om van dichtbij te ervaren. De vorm verdwijnt in de massa; alleen nog gestapelde stenen. Pas van een afstand wordt de vorm waarneembaar en dat was, denk ik, ook de bedoeling van de farao's: afstand scheppen, respect afdwingen. Hier rust de koning, de absolute macht, de godheid, de bestuurder van het universum. De piramiden weerkaatsen het zonlicht en lijken daardoor niet te benaderen, zoals de zon niet te benaderen is. Op een bepaalde manier zijn de piramiden een affront aan de menselijke waardigheid, ze kleineren, en daardoor een uitdaging voor grafrovers en vandalen. Wie kaatst moet de bal verwachten. Het schijnt dat een of andere kalief heeft geprobeerd ze af te breken. Hij is mislukt. De piramide van Cheops mist de hoekpunten en de top, oogt daardoor wat bot. De piramiden zijn overigens niet alleen big things maar ook big money: de entree valt met twintig pond nog mee maar om de piramide van Cheops binnen te gaan moet nog eens veertig pond betaald worden (daarvoor mag je door een claustrofobie oproepend gangetje naar een lege kamer) en om de dodenboot te zien moet ook weer twintig pond betaald worden. Wie zijn camera mee wil nemen moet nog meer bijbetalen. Wie dat niet wil moet zijn camera in bewaring geven en daarvoor bakshees betalen. De overheid weet het geld er goed uit te slaan en de kruimels zijn voor de kleine man.

Behalve 'big things' zijn er ook 'small things': de menselijke muskieten die voortdurend hinderlijk om je heen zoemen. De suppoosten, de kamelen-, paarden- en ezelverhuurders, de gidsen, de souvenirverkopers, de water- en frisverkopers: bakshees, 'Waarom wil je niet op mijn kameel?', 'Maak een foto van mijn kameel'. De souvenirs worden je in de hand gedrukt. De gidsen proberen je mee te sleuren en een andere kant op dan waar je zelf heen wil. Er is geen moment dat je gewoon rustig kunt kijken. Het is om gek van te worden. Ook de toeristenpolitie doet er aan mee. Ze begeleiden je tegen wil en dank en verwachten daarvoor bakshees en bedelen om sigaretten en pennen (ja, pennen; volwassen kerels vragen om een pen!). Het is ergerlijk maar ook erg. Het verkopertje van prentbriefkaarten, een jochie van een jaar of twaalf. Ik had hem al gezien, met zijn kaarten fladderend van de ene naar de andere toerist, was ternauwernood aan hem ontsnapt door het bootmuseum in te duiken en nu, op weg naar de Sfinx, loopt hij voor me. Hij krijgt me in de gaten en stormt op me af, moed en wanhoop: 'Postcards, five pound. Postcards, five pound!' 'No.' 'Four pound, three pound, two pound!' In zijn gedrevenheid overschrijdt hij de grens tussen winst en verlies; ik weet wat kaarten ongeveer kosten. Hij krijgt het zelf ook in de gaten: 'Three pound, three pound!' Ik ben door de knieën gegaan en koop een pakje kaarten voor drie pond. Mijn biljet van 5 pond moet hij wisselen bij een maatje, hij heeft zelf geen wisselgeld. Hij heeft dus vóór mij niets verdiend, anders had hij wisselgeld gehad. Voor drie pond heeft hij de hele godganse hete dag moeten rondlopen en leuren en afwijzingen incasseren. Dat is óók om gek van te worden.
De piramiden op de kaart